Gods evenbeeld.

Wat hebben we toch een schitterend evangelie! Onze God die ons naar zijn evenbeeld geschapen heeft, herschept ons in zijn Zoon Jezus Christus naar zijn oorspronkelijk beeld en gelijkenis. Hierdoor zullen we in Christus’ voetspoor bidden: “vergeef ons onze schulden gelijk ook wij vergeven” (Matt.6:12). Of, zoals Paulus schrijft: “weest barmhartig en vergevend jegens elkaar, (gelijk) zoals Christus u door zijn Geest vergeving geschonken heeft”.(Ef.4:32). Dat is echt goddelijk; de Geest van het zoonschap, waardoor wij Hem aanroepen met “Abba”, Vader. Net zoals kinderen hun vader aanspreken met “papa”.

‘Gods evenbeeld zijn’ doet mij denken aan zijn verschijning aan de discipelen (Joh.20:19-23). Wanneer de discipelen angstig achter gesloten deuren bijeen zijn; angstig vanwege de “vrees voor de joden” die hun Heer hadden laten kruisigen, maar wellicht ook met gedachten en gevoelens van schaamte over hun onbeduidende rol in dit gebeuren; deze nachtmerrie. Als ineens de opgestane Heer in hun midden gaat staan, en tot hen zegt: “Vrede zij u”! Geen spoor van verwijt. Hij zegt niet: ” Nou jullie hebben nog wel een hoop te leren”. Nee, geen enkel woord in die richting. Hij toont hun de littekens aan zijn handen en zijde. Zijn overwinnend lijden. En juist dan ontstaat er blijdschap bij de discipelen. En opnieuw zegt Jezus tot hen: “Vrede zij u!”| En daarna: “Gelijk de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook jullie” Weer dat woord “gelijk”. Op dezelfde wijze als hun voorganger Jezus. Gods evenbeeld. En dan blaast Hij op hen en zegt: “Ontvangt de heilige Geest. Als jullie iemands zonden vergeven, dan zijn ze vergeven; vergeven jullie ze niet, dat zijn ze niet vergeven”. Hoe groots is dat! Juist in het dieptepunt van hun bestaan met Jezus, vol van vrees en gevoelens van angst, onzekerheid en eigen ontoereikendheid, worden ze door Jezus als apostelen bevestigd om zijn verlossende boodschap verder uit te dragen. (Terwijl zij een week later weer bijeen zijn, met de deuren opnieuw gesloten….).
De opgestane Heer kent de zijnen en hun liefde voor God en ziet hen met de ogen van zijn Vader en zegent ze en bevestigt hen in hun roeping. Hoe groot is het opstandingsleven dat onze Vader in zijn Zoon -en in ons- ten toon spreidt. God maakt zijn roeping van ons nooit ongedaan (Rom.11:29).
Herkent u daar iets van in uw eigen leven met God? Wellicht herinnert u zich een situatie waarin u het gevoel hebt, er weer eens niets van gemaakt te hebben; maar dat onze Heer u juist dan tegemoet komt en u verheft naar zijn bedoelingen, zijn gelijkenis, en uw geloofsvertrouwen groter wordt dan ooit tevoren. Hoe groot is onze Heer!. Als ik zeg ‘onze Heer’, dan kan dat zijn dat Hij door een broeder of zuster tot uw hart heeft gesproken.
Wist u dat zo’n ‘negatieve’ ervaring van eigen ontoereikend in Gods ogen lieflijker is dan een ervaring van zelfgenoegzaamheid. Net zoals Jezus zijn discipelen pas kon verheffen op een moment dat ze niet met elkaar kibbelden over de vraag wie van hen wel de meeste is. Maar juist wel in die uiterst moeilijke situatie, waar het besef van eigen toereikendheid geen schijn van kans meer heeft.
En dat is wijsheid bij God.
God vormt ons hart naar zijn zachtmoedigheid. Pas daarna kunnen zijn eeuwige werken tot Gods eer in ons tevoorschijn komen. Niet als machthebbers, maar als koninklijke priesters (1 Petr.2:9), steeds bereid om te dienen, gelijk zoals Jezus ons toont in ons contact met Hem.

Dat evenbeeld staat Jezus voor ogen wanneer Hij zijn Vader bidt, dat wij allen één zijn, gelijk U, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn…opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn:Ik in hen en U in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één. U hebt hen, die U Mij gegeven hebt liefgehad, gelijk Gij Mij hebt liefgehad. Ik wil Vader dat waar Ik ben ook zij, die U Mij gegeven hebt, bij Mij zijn om mijn heerlijkheid te aanschouwen die U Mij gegeven hebt (Joh.17:21-24).
En diezelfde Johannes schrijft later: Wij weten, dat, als Hij geopenbaard zal zijn, wij Hem gelijk zullen zijn. Ieder die deze hoop op Hem heeft reinigt zich, gelijk Hij rein is.(1 Joh.3:2 en 3).

Kerntekst.
Allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven (Joh.1:12).

Gebed.
Vader, wat is het groots wat U ons wilt schenken in uw Zoon. Ik ben stil van binnen en zie uit hoe U aan anderen en aan mij uw machtig werk voltrekt. U vormt ons daartoe Vader naar uw beeld en gelijkenis om goede werken te doen, die U te voren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen (Ef.2:10). Schenk ons uw Geest van wijsheid en openbaring om U recht te kennen (Ef.1:17) en doe ons de heerlijkheid van uw Zoon aanschouwen (Joh.17:23). Ook in onze naasten die wij liefhebben en in wie wij U met blijdschap mogen begroeten. Ja, door uw Geest komen wij tot waarachtig samenleven met U, en de uwen. Glorie voor uw heerlijke naam. Amen.