Gods bedoeling met ons leven

Wanneer God de aarde geschapen heeft en deze heeft toebereid voor al het leven daarop, klinkt enthousiast zijn woord: “Laat ons mensen maken naar ons beeld en gelijkenis, opdat zij heerschappij voeren over de gehele aarde en alles wat daarop rondkruipt.”! (Gen.1:26). In slechts één overbekende zin komt Gods hartenwens met de mens naar voren: Gods evenbeeld zijn en -naast Hem-heerschappij ontvangen over de gehele aarde.
Het belangrijke woord "laat ons mensen maken..." klinkt ook door uit de mond van Jezus, zijn Zoon, vlak voor zijn hemelvaart: "Maakt al de volken tot mijn leerlingen..." (Matt. 28:19). Is dat niet Gods bedoeling voor ons allen?
Wat is het prachtig om een leerling van God te zijn. Een hogere plaats in het Koninkrijk van onze Heer bestaat er niet. Zij zijn immers mensen die Gods woord uit de eerste hand ontvangen tot zegen van velen. Stel je voor dat iemand tegen u zegt na een gesprekje met u: "Ja, dat lijkt me een goed plan, maar ik wil het toch ook nog even met de koning, met Willem-Alexander, overleggen". "Morgen om half drie moet ik toch nog even bij hem langs". Wellicht zou u uw verbazing niet kunnen bedwingen en zeggen: "Jij, bij onze koning op bezoek?" "Hoe bedoel je dat?" "Dat gaat toch niet zomaar?"
Maar wij, die geloven, mogen altijd, ook 'zomaar', bij de Koning der koningen (Op.17:14) langs gaan! Bij God Zelf. Wat een voorrecht!
Zijn Zoon, Jezus Christus, heeft immers voor de zijnen de relatie met Hem hersteld. We mogen Hem daardoor "Onze Vader" noemen. Dat was ook al steeds het uitdrukkelijke verlangen van God Zelf: Zoals we lezen: "Ik had wel gezegd hoe Ik u onder de zonen zal rekenen en u een uitgezocht land geven, de allerheerlijkste erve der volkeren!" En Ik had gedacht, dat u Mij zou noemen: "Mijn Vader",en dat u zich van Mij niet zou afkeren.(Jer.3:19. NBG vert.).
Dat verlangen van God naar de zijnen is nog steeds actueel. Dat lazen wij eerder in Paulus' brief aan de Efeziërs waarin hij zijn blijdschap over hen vanuit de gevangenis in Rome schrijft: "Daarom houd ook Ik, gehoord hebbende van uw geloof in de Here Jezus en van uw liefde tot al de heiligen, niet op te danken, u gedenkende bij mijn gebeden, opdat de God van onze Here Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht (lees: 'echt' Will.vert.) te kennen" (Ef.1:17). Wat prachtig dat de apostel, die in de gevangenis in Rome zit vanwege zijn geloof in de Allerhoogste, geen enkel gebed vraagt voor zichzelf in zijn situatie als gevangene, maar juist onophoudelijk dankt (Ef.1:16) voor het geloof en de liefde van de broeders en zusters in Efeze, opdat hun hemelse Vader hen zal geven een Geest van wijsheid en openbaring om Hem, echt door en door te kennen. Ja, dat van harte kennen van Hem! Wat spreekt hier uit? Is het niet Paulus' volkomen toewijding aan zijn Heer, die Hem inspireert, en aan Hem de woorden schenkt om de gelovigen te Efeze te zegenen? En is dat ook niet Gods bedoeling met ons leven? Om vanuit onze hartelijke gemeenschap met Hem, onze Heer, met geopende harte-ogen de ander tot zegen te zijn?

Kerntekst.
Wie roemen wil, roeme hierin, dat hij verstand heeft en Mij kent, dat Ik de Here ben, die goedertierenheid, recht en gerechtigheid op aarde doet; want daarin heb Ik behagen, luidt het woord van de Heer.
(Jer. 9:24).

Lied.
Niet door werken, niet door de wet,
maar uit genade bevrijd tot de dienst aan elkaar.
Wij dan verwachten, door de Geest,
uit het geloof de gerechtigheid, waarop wij hopen,
opdat het zij gelijk er staat:
wie roemt, roeme in de Heer.

Gebed.
Zeer geliefde Vader. U verlangt naar uw kinderen. U wilt ons betrekken bij uw plan met de wereld.
Door uw volkomen vergeving ontvangen wij vrijmoedigheid om U steeds te zoeken en bij U te zijn.
Hier zijn wij Vader. Ons leven behoort U toe. Vul ons met uw Geest. Amen.